28 oktober en 4 november Allerzielenlof.

De gedachtenis van overleden gelovigen tijdens het zogenaamde Allerzielenlof op de zondagen zo dicht mogelijk bij de 1e en 2e november brengt ons samen rond de overledenen die ons zo dierbaar zijn. In de afscheidsvieringen hebben we eer gebracht aan de overledene en aan haar of zijn lichaam. Ons lichaam is immers een sterk symbool van heel haar/zijn persoon: we leren een mens precies kennen dankzij zijn lichamelijke aanwezigheid. Daarom klinkt in de uitvaartliturgie, naast het besef van de broosheid van het aardse leven, ook een grote eerbied voor het menselijke lichaam. Het is juist in en door zijn lichaam dat de mens geroepen wordt beeld van God te zijn en te leven naar zijn gelijkenis. Dus in het lichaam ontmoeten we ook de Schepper zelf en het is daarom dat de Kerk de lichamen van onze gestorvenen met zo grote eerbied omgeeft. De Kerk respecteert de emotie en de droefheid, het leed en verdriet rond de overledene en tracht troost te brengen in de vraag van het waarom. Op die  vraag kunnen en zullen we geen antwoord vinden. Wat we wel kunnen doen, is onze zorgen en verdriet aan God toevertrouwen. En smeken om steun en sterkte en de Eeuwige vragen om zijn ontferming en de voltooiing van het geluk in haar of zijn leven. We zoeken er een leven lang naar. Ten teken van hoop worden de herinneringskaarsen, met het licht ontstoken in de Paasnacht, aangestoken. Het licht van dood naar leven, bij haar, bij hem, bij hen die we gedenken.

René H. M. Maessen, pastoor-deken.